3.16. Rok

‘Vertel het mij,’ zegt ze dan, ‘hoe dat gegaan is, die nacht dat jullie vertrokken zijn. En daarna.’

Ik hoef niet diep te graven, ik heb er de laatste dagen genoeg aan gedacht. Ik vertel haar hoe snel het ging en hoe makkelijk het was. 

‘Hoe lang was je dat al van plan?’ vraagt ze.

‘Niet,’ zeg ik, ‘ik was er niet al lang over aan het denken. Het was een opwelling, een plotseling opgevat plan dat ik meteen heb uitgevoerd. Ik had het geluk dat Vincent erin meeging. Hij kwam niet met bezwaren, bood geen enkele weerstand. Integendeel, hij wilde graag mee. Hij had plezier in het knippen van mijn haar. Hij heeft me geholpen met het uitzoeken van kleren. Hij keurde me voor we de deur uitgingen.’

‘Je haar, je mooie zwarte haar,’ zegt Colombe, ‘ik heb je vlecht gevonden, maar hij viel in stof uiteen.’

‘Ben jij dan nog in ons huis geweest?’

‘Ja,’ zegt ze, ‘ik hoopte er een aanwijzing te vinden.’

Al die tijd, al die tijd, heeft ze gehoopt en gezocht. Ik drink omdat ik geen woorden vind. 

‘En ik?’ vraagt ze dan, ‘heb je dan niet aan mij gedacht?’

‘Nee, ja, soms…’ zeg ik eerlijk, ‘ik had je al achter mij gelaten. Ik kon de gedachte dat je bij die man was, die ik ervan verdacht dat hij je mishandelde en die jij dan nog verdedigde, niet verdragen. En dus wiste ik de gedachte aan jou. Ik wiste jou.’

Het blijft stil.

‘Ik heb je nooit gewist,’ zegt ze.

‘Ik weet het,’ zeg ik. Ik neem nog een slok wijn. Zij ook. Het rommelt weer. Dan een korte droge slag.

‘Het is niet te geloven,’ begint ze dan. ‘Zie ons hier zitten. Hoe jij … heb je dan nooit meer …? Heb je dan nooit meer een rok gedragen?’

‘Nee,’ zeg ik, ‘nooit meer.’

Ze kijkt me nu recht aan. De wijn heeft haar minder schuchter gemaakt. Ik zie haar ogen over mijn gezicht glijden.

‘Je bent anders en toch zie ik je nog,’ zegt ze.

‘Jij bent niet veel veranderd,’ zeg ik.

‘Toch wel,’ zegt ze. Haar hand gaat naar haar gezicht, haar vingers betasten haar litteken.

‘Het is veel minder zichtbaar dan toen,’ zeg ik zacht.

Ze staat recht en ze zegt dat ze koffie gaat zetten. Er is nog heet water in het reservoir van het fornuis. Ze pookt het vuur op en zet de deur en het raam open. De geur van onweer stroomt even naar binnen. Ik sta recht en ga naar buiten. Het liefst van al zou ik op de houten bank gaan zitten en een pijp stoppen, even op mezelf zijn en mijn bevende handen iets te doen geven, maar ik ga weer naar binnen.

En dan, ik weet niet waar ze de moed vandaag haalt, vraagt ze: ‘Zou je … zou je niet nog een keer een rok willen dragen?’

Het moet de wijn zijn die haar overmoedig heeft gemaakt.

En het is de wijn die mij overstag doet gaan.

‘Als jij dat wilt…’

Ze draait zich om, schuift het gordijn van de bedstee open en pakt een rok die aan een haak aan de muur hangt. Ze houdt hem mij voor. Het zweet breekt me uit.

‘Ik zal naar buiten gaan,’ zegt ze en ze gaat in de deuropening staan, haar rug naar mij gekeerd.

Ik ga bij de alkoof staan en trek de rok over mijn broek aan. Dan laat ik mijn broek zakken, en trek mijn kousen en schoenen uit. Ik voel de soepele stof los rond mijn blote benen. Het is vreemd, ongemakkelijk en opwindend tegelijk. Alsof ik iets doe dat niet hoort, iets dat verboden is. Met Colombe die bij de deur staat, is het alsof ze de wacht houdt, terwijl ik kattenkwaad uithaal. Het moet de wijn zijn.

‘Geef mij dan ook maar een blouse,’ zeg ik tegen haar rug.

Ze draait zich om. Ze kijkt naar de rok en mijn blote voeten. En naar de grond. Ze bijt op haar lip. Dan gaat ze naar de hutkoffer, klapt hem open en neemt er een gestreken blouse uit. Het is een vrouwelijk, getailleerd model met kleine knoopjes, het past waarschijnlijk niet.

Ik trek mijn hemd uit. Ze knoopt de blouse los en staart intussen naar mijn windels. Ik maak ze los. Ik voel hoe ze naar mijn platte borsten kijkt. Ze geeft me een katoenen onderlijfje. Ik trek het aan en steek dan mijn armen in de mouwen van de blouse. Zoals ik gedacht had, past ze niet. Ik houd de voorpanden met een hand samen en kijk haar aan. Ze bijt nog steeds op haar lip. Het lijkt alsof ze een lach probeert te onderdrukken.

Dan schudt ze haar hoofd.

‘Het spijt me,’ zegt ze, ‘ik had dit niet mogen vragen.’

Ze helpt me uit de blouse, trekt het hemdje over mijn hoofd en reikt me de windsels aan. Ze kijkt toe hoe ik mij inpak.

‘Zo onpraktisch,’ zegt ze dan, ‘Ik zal een nauwsluitend lijfje voor je maken.’

Ze zal een lijfje voor me maken. Nauwsluitend, met platte knoopjes aan de zijkant. Zij, zij zal een lijfje voor mij maken! Ik wil iets zeggen, maar er komt geen geluid uit mijn keel. Ik knipper tegen het vocht in mijn ogen. Dan laat ik de rok op de grond zakken en trek ik mijn broek weer aan. Ze duwt de kleren achter het gordijn van de alkoof.

Ze schenkt koffie in kleine kopjes. We drinken zwijgend. Ze heeft me iets gevraagd en nu durf ik haar op mijn beurt een vraag stellen. Ik wijs naar de openstaande deur.

‘Gaan we buiten op de bank zitten? Vind je het goed als ik een pijp rook?’

DSCN5141

Einde deel 3.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s