4.1. Arturo

We zaten op de bank en keken naar de bliksemschichten in de verte die elkaar snel opvolgden. Het onweer leek zich achter de kam te amuseren. Het was over onze huizen en over de kerk heen gewaaid en leek nu aan de andere kant van de berg te willen blijven. Maar het kon nog keren. In het westen pakten zich opnieuw donkere wolken samen.

We zaten op de bank en ik moest eraan wennen dat ik er samen met Arturo zat. Het was Michels bank. Onze bank. We hadden zo vaak samen naar het spel van de wolken en de zon gekeken. De afgelopen jaren had ik er soms alleen gezeten, maar nooit lang.

Arturo rookte een pijp en leek in gedachten verzonken. Mijn gedachten gingen alle kanten op. Naar Michel, naar Arturo, naar Amparo. Naar haar broek, naar de windsels, naar de blouse die te klein was. Naar de rok, de blote voeten daaronder. Naar zijn gezicht, naar haar gezicht, die ontreddering, die hulpeloosheid. Wat had ik hem aangedaan?

En toen ontsnapte mij een lach. De lach die ik ingehouden had. De lach om die potsierlijkheid. De lach rolde uit mij en was niet meer tegen te houden. Ik bracht mijn handen naar mijn gezicht en probeerde het weer in de plooi te krijgen. Maar ik bleef lachen en de tranen rolden over mijn wangen.

Arturo keek mij onzeker aan.

‘Ik weet waarom je lacht,’ zei hij. ‘Het was belachelijk, niet?’

Ik schudde mijn hoofd, het was gênant.

‘Het spijt me,’ zei ik ‘excuses…’

En toen ik wat gekalmeerd was: ‘Het paste niet… het was heel vreemd… en het spijt me, ik had je dat niet mogen vragen… maar toch ben ik… ik denk… dat ik het begrepen heb…’  Mijn lach wilde terugkomen, drong zich van mijn schouders naar mijn kaken. Ik probeerde mijn gezicht in bedwang te houden.

‘Ik heb het begrepen,’ zei ik weer. ‘Er is geen weg terug.’

Hij bleef een hele tijd zwijgen. Toen klopte hij zijn pijp uit.

‘Nee, er is geen weg terug,’ zei hij.

Er stak een wind op. De donkere wolken uit het westen schoven op en verzamelden zich boven de huizen. Er vielen een paar dikke druppels. We gingen naar binnen. We dronken een glas vin doux en nog een. De wijn steeg naar mijn hoofd. Ik werd opeens erg moe.

‘Ik ga wat op bed liggen,’ zei ik en ik liet me met mijn kleren aan op het bed vallen. Ik hoorde de regen op het dak kletteren en ik zag Arturo aan tafel zitten en voor zichzelf nog een glas inschenken. Ik doezelde weg.

Wat later kwam Arturo naast mij op het bed liggen. Nog even later voelde ik de matras zacht schudden.  Ik draaide mijn hoofd opzij en ik zag Arturo lachen. Hij had zijn ogen gesloten en hield een hand op zijn mond en de andere hand op zijn buik alsof hij zich probeerde in te houden.  Door hem te zien lachen, begon ik ook weer en toen hij merkte dat ik meedeed, liet hij zich gaan. We lagen te lachen, we schudden van het lachen en we rolden naar elkaar toe. Zo rolden we in elkaars armen. Opeens maakte me het niets meer uit, een broek en kort haar… zij was het, Amparo. Toen we uitgelachen waren vielen we dicht bij elkaar in slaap.

Het was vroeg in de ochtend toen ik wakker werd, en nog donker, maar ik hoorde de eerste vogels. Arturo lag naast mij, net als ik bovenop de dekens, met zijn kleren aan. Ik probeerde van het bed te komen zonder hem wakker te maken. Ik zette de deur open en liet de geur van regen, van gewassen gras en aarde naar binnen stromen.

Ik maakte vuur in het fornuis en ik maalde koffiebonen. Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat Arturo op de rand van het bed was gaan zitten. Hij zocht zijn schoenen.

We dronken water tegen de nadorst en daarna hete sterke koffie.

Hij ging naar het paard kijken, gaf het wat voer en kwam weer naar binnen. Hij zou naar het atelier gaan, hij moest dringend met Vincent overleggen, zei hij.

‘Kom je nog terug?’ vroeg ik.

‘Ik wou het net vragen,’ zei hij, ‘mag ik nog terugkomen?’

Ik knikte. Bij de deur gaven we elkaar twee kussen. Al die tijd hadden we elkaar niet op de wangen gekust, zoals we vroeger altijd deden, elke keer dat we elkaar zagen. Dat ging even door mijn gedachten.

Dan kuste hij mij opnieuw. Op mijn lippen. We hielden onze lippen even op elkaar, zoals toen, bij de rivier.

Toen hij wegreed, voelde ik aan mijn mond. Mijn lippen tintelden.

20180525_201734

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s