4.2. Rust

Die dag kwam er rust over mij. Ik ging aan de kleine tafel zitten, bladerde in mijn schrift en herlas hier en daar wat ik geschreven had. Ik hoefde niet langer ongerust te zijn. Ik wist nu waar ze was, Amparo. Ze was veilig. Ook al zou ik haar nooit meer terugzien zoals ze vroeger was, met een jurk en een bakkersschort, met die lange vlecht op haar rug, ze was terecht en dat was het belangrijkste.

Ik borg het schrift weer op en rommelde wat in de naaimand. Ik dacht aan het lijfje dat ik zou maken. Ik had stof nodig, iets stevigs en toch zacht, katoen of fijngeweven lijnwaad. Ik verheugde mij erop om dat te maken. Het maakte van mij een medeplichtige.

De volgende dag al was hij terug. Hij had met Vincent gesproken, ze hadden het werk gepland. Vincent zou de eerstvolgende opdracht op zich nemen. Ze zouden nog werk aanvaarden maar zelf niet meer prospecteren.

Arturo maakte zich zorgen over het gehucht. Hij vroeg zich af of er geroddeld zou worden als hij zich vaker zou vertonen. Ik zei hem dat elk huis in het gehucht geheimen had en dat niemand zich met de anderen bemoeide. Als er hulp nodig was, dan was die er snel. Maar er was een soort stilzwijgende afspraak dat we elkaar ongemoeid lieten.

Hij bleef die nacht opnieuw bij mij. We kleedden ons uit, trokken een nachthemd aan en gingen in bed liggen. We kusten en omhelsden elkaar. Ik viel in slaap tegen zijn rug, mijn mond op het plekje waar ooit het begin van zijn vlecht was geweest.

Dat warme, stevige lichaam naast mij bracht mijn eigen lichaam weer tot leven. Ik vlijde mij tegen hem aan en ik was het die na een tijdje het strelen begon. Ik kende mijn eigen lichaam goed, het was bemind geweest. Ik leidde zijn handen naar de zachte binnenkant van mijn dijen en ik liet mijn handen over zijn buik en borst dwalen. Ik vond het lichaam van Amparo. ’s Nachts was zij daar. ’s Nachts waren wij vrouwen. Wij kusten elkaar, diep en lang. We vermoeiden elkaar tot we in een diepe slaap zonken en ‘s morgens verstrengeld wakker werden.

Die hartstocht bleef niet duren, maar lang genoeg om ons voor altijd aan elkaar te binden. Er kwam iets anders voor in de plaats. De zekerheid dat we bij elkaar zouden blijven. De saamhorigheid, de compliciteit. De zekerheid dat hij zou terugkomen als hij een paar dagen weg moest. Voor hem de zekerheid dat ik op hem wachtte.

In het gehucht was er, zoals ik verwacht had, niemand die raar opkeek. Voor mijn buren was Arturo de meester-steenhouwer die hier op de berg, tijdens de werkzaamheden aan de kerk, een vrouw had gevonden. Hij was graag gezien, ze waren zelfs trots op hem.

Augustin was in zijn schik met zijn nieuwe schoonbroer. Niet dat we elkaar veel zagen, maar af en toe, en soms samen met zijn jeugdvriend Vincent. Hij stelde geen vragen, ik denk dat hij geen flauw vermoeden had.

Alleen Marie zei me eens dat Arturo haar aan onze vroegere buurman, de Spaanse bakker deed denken. En ze vroeg of ik ooit nog iets van Amparo gehoord had. Ik antwoordde dat Arturo verre familie van hen was en dat hij vernomen had dat Amparo ergens in het zuiden van Spanje was. Daarna vroeg ze er nooit meer naar.

Broeder Benoit vroeg ook niet meer naar Amparo. Ik denk dat hij de enige was die iets vermoedde. Hij liet niets blijken. Integendeel, hij leek blij voor ons. Hij stond er zelfs op om ons te zegenen. Op de langste dag van 1899 nodigden we hem uit in ons huis en  lieten we hem wat lacherig begaan. Ik droeg een tuiltje brem en Arturo een takje vlinderlavendel.

Ik kan niet anders dan dankbaar zijn voor de jaren die we samen hadden. En net als Michel ben ik niet bang voor wat er komen gaat. Er is niets om bang voor te zijn en niets om spijt over te hebben.

Toen Arturo ziek werd heb ik hem net als Michel verpleegd. Toen hij was gestorven heb ik zijn ogen gesloten, hem gewassen en verzorgd, en hem zijn mooiste kleren aangetrokken, zodat hij zijn geheim kon meenemen. Ik liet hem begraven naast Michel. Ik wees de plek aan. Op twee meter van elkaar.

‘En de plek daartussen,’ zei ik tegen de doodgraver ‘is voor mij.’

 

 

Einde

 

DSCN4256

8 gedachten over “4.2. Rust”

  1. Oh, zo mooi. Ik heb er tranen van in mijn ogen. Ik vreesde dat er nog een soort noodlottige wending zou komen, maar gelukkig was dat niet het geval en vonden ze elkaar. Wat een mooi verhaal, ik heb er heel erg van genoten.

    Like

    1. Dank je wel, Samaja. Ik vond het ook fijn om elke dag een seintje van jou te krijgen. En ik vind het vooral fijn dat ik jou aan het blovelen heb gekregen. Allen daarheen!

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s